error fb Gplus IN twitter down-arrow Email Phone Check-Mark padlock circle_arrow minus plus play_btn close Clipboard_Icon Shopping-Cart_Icon Speech_Bubble_Icon Stethoscope_Icon pharmacists menu left-arrow right-arrow facebook search cart

Dexcom G5 Mobile Continuous Glucose Monitoring System

 

Indicaties voor gebruik

Het Dexcom G5 Mobile-systeem voor continue glucosemonitoring (CGM) is een systeem voor glucosemonitoring dat is geïndiceerd voor het beheren van diabetes bij personen van 2 jaar en ouder. Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem is ontworpen om het testen van bloedglucose met een vingerprik voor diabetesbehandelbeslissingen te vervangen.

De resultaten van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem moeten worden geïnterpreteerd op basis van de glucosetrends en meerdere achtereenvolgende metingen die na een bepaalde periode kunnen worden waargenomen. Het Dexcom G5 Mobile-systeem helpt bij de detectie van hyperglykemie en hypoglykemie. Het systeem vergemakkelijkt zowel directe als langetermijn-aanpassingen in de behandeling.

Het Dexcom G5 Mobile-systeem is bedoeld voor gebruik door patiënten thuis en in zorginstellingen.

Belangrijke informatie voor de gebruiker

Indien het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem en de bijbehorende onderdelen niet worden gebruikt volgens de gebruiksaanwijzing en met inachtneming van alle indicaties, waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en opmerkingen, kan dit tot gevolg hebben dat u ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose) niet opmerkt en/of een behandelbeslissing neemt die letsel tot gevolg kan hebben. Als de waarschuwingen over uw glucose en de glucosemetingen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet overeenkomen met uw symptomen of verwachtingen, moet u een bloedglucosewaarde van vingerprik van uw bloedglucosemeter gebruiken om diabetesbehandelbeslissingen te kunnen nemen. Schakel indien nodig medische hulp in.

Lees de instructies bij het product goed door voordat u het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem gebruikt. Indicaties, contra-indicaties, waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen, opmerkingen en andere belangrijke informatie voor de gebruiker zijn terug te vinden in de instructies bij het product die zijn opgenomen in of geleverd bij het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem. Bespreek met uw zorgverlener hoe u de trendgegevens die worden weergegeven op het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem, moet gebruiken bij de behandeling van uw diabetes. De instructies bij het product bevatten belangrijke informatie over het oplossen van problemen met het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem en over de prestatiekenmerken van het systeem.

Contra-indicaties

MRI/CT/diathermie

Verwijder de sensor, zender en ontvanger van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem voordat u magnetische-resonantiebeeldvorming (MRI), een computertomografie-scan (CT-scan) of een behandeling met hoogfrequente elektrische warmte (diathermie) ondergaat.

Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem is niet getest tijdens MRI- of CT-scans of diathermie. De magnetische velden en hitte kunnen de onderdelen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem beschadigen. Hierdoor kan het voorkomen dat het systeem onnauwkeurige bloedglucosemetingen weergeeft, of dat alarmen niet worden afgegeven.

Medicijnen

Het nemen van medicijnen die paracetamol/acetaminofen bevatten tijdens het dragen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem kan ervoor zorgen dat het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem ten onrechte verhoogde glucosemetingen weergeeft. De mate van onnauwkeurigheid is afhankelijk van de hoeveelheid paracetamol/acetaminofen die actief is in uw lichaam en verschilt per persoon. Als u onlangs paracetamol/acetaminofen hebt ingenomen, mag u niet vertrouwen op CGM-gegevens (continue-glucosemonitoringgegevens) die door het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem worden gegeven.

Waarschuwingen

Barsten in de sensor

Negeer barsten in de sensor niet. Sensoren kunnen in zeldzame gevallen barsten of loskomen van de sensorhouder. Als een sensor is gebroken en er geen zichtbaar deel uitsteekt boven de huid, mag u niet proberen hem te verwijderen. Roep professionele medische hulp in als u symptomen van infectie of ontsteking (roodheid, zwelling of pijn) ondervindt op de inbrenglocatie. Neem contact op met de vertegenwoordiger van Dexcom voor uw regio als uw sensor breekt.

Beschadigde apparaten niet gebruiken

Als de ontvanger van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem of de zender van de G5 Mobile is beschadigd of gebarsten, dient u het apparaat niet te gebruiken. Dit kan een gevaarlijke elektrische toestand veroorzaken, die kan leiden tot elektrische schokken met mogelijk verwondingen tot gevolg. Daarnaast kan een beschadigde of gebarsten ontvanger of zender van de G5 Mobile ervoor zorgen dat het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet naar behoren werkt.

Verstikking

Laat jonge kinderen de sensor of zender niet vasthouden zonder toezicht van een volwassene. De sensor en zender bevatten kleine onderdelen die voor verstikkingsgevaar kunnen zorgen. Het volgende kan leiden tot:

• het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)

• het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Oefenmateriaal doornemen

Neem vóór gebruik van uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem het bijgeleverde oefenmateriaal grondig door. Onjuist gebruik van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem kan ertoe leiden dat u door het systeem geleverde informatie verkeerd begrijpt en kan invloed hebben op de prestaties van het systeem.

Het volgende kan leiden tot:

• het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)

• het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Diabetesbehandelbeslissingen

Als uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem geen sensorglucosemetingen weergeeft, of als u inconsistente metingen afleest, dient u een bloedglucosewaarde van vingerprik van uw bloedglucosemeter te gebruiken om diabetesbehandelbeslissingen te nemen.

Symptomen hoog/laag niet negeren

Negeer symptomen van hoge of lage glucoseconcentratie niet. Als waarschuwingen over uw glucose en glucosemetingen niet overeenkomen met uw symptomen, dient u een bloedglucosewaarde van vingerprik van uw bloedglucosemeter af te lezen om diabetesbehandelbeslissingen te nemen, of onmiddellijk medische assistentie te zoeken.

Personen die het systeem niet dienen te gebruiken

Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem is niet geëvalueerd of goedgekeurd voor de volgende personen:

• Zwangere vrouwen • Personen die een dialyse gebruiken

De nauwkeurigheid van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem is niet getest bij personen uit deze groepen. Glucosemetingen van het systeem bij deze personen zijn mogelijk onnauwkeurig.

Regelmatig kalibreren

Kalibreer het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem minstens iedere 12 uur. Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem moet worden gekalibreerd om nauwkeurige metingen te kunnen uitvoeren. Gebruik het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet voor diabetesbehandelbeslissingen tenzij u de instructies bij het apparaat hebt gevolgd en het systeem iedere 12 uur na de eerste kalibratie hebt gekalibreerd.

Plaatsing

Plaats het sensorgedeelte van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet op een andere locatie dan de buik/onderbuik (vanaf 2 jaar) of de bovenkant van de billen (2 tot 17 jaar). Het plaatsen en inbrengen van het sensorgedeelte van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem op andere locaties is niet goedgekeurd. Indien u het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem op andere locaties plaatst, werkt het systeem mogelijk niet naar behoren.

Het volgende kan leiden tot:

• het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)

• het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Eerste kalibratie: gegevens/alarm/waarschuwing

Verwacht binnen 2 uur na het opstarten geen sensorglucosemetingen of alarmen/waarschuwingen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem. Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem kan pas glucosewaarden of alarmen/waarschuwingen geven als de 2 uur durende opstartperiode is verstreken EN als de opstartkalibratie is voltooid. Gebruik tijdens de opstartfase van 2 uur bloedglucosewaarden van vingerprik van uw bloedglucosemeter

Opslag van de sensor

Bewaar de sensor gedurende de levensduur van het apparaat bij een temperatuur tussen 2 °C en 25 °C. U kunt de sensor in de koelkast bewaren, mits de koelkasttemperatuur binnen dit bereik valt. De sensor mag niet in de vriezer worden bewaard.

Het niet naar behoren opslaan van de sensor kan leiden tot onnauwkeurige glucosemetingen.

Instellingen mobiel apparaat

De interne instellingen van uw mobiele apparaat hebben voorrang op eventuele instellingen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem.

Het volgende is vereist voor het ontvangen van alarmen en waarschuwingen:

  • Zorg ervoor dat de meldingen voor de G5 Mobile-app zijn ingeschakeld in het instellingenmenu van uw mobiele apparaat
  • Controleer of de G5 Mobile-app niet is uitgeschakeld door uw mobiele apparaat
  • De G5 Mobile-app werkt alleen naar behoren als Bluetooth® is ingeschakeld op uw mobiele apparaat
  • De functie ‘Niet storen’ op uw mobiele apparaat moet zijn uitgeschakeld (indien van toepassing)
  • Start de G5 Mobile-app opnieuw nadat uw mobiele apparaat opnieuw is gestart
  • Stel het volume van uw mobiele apparaat in op een hoorbaar niveau
  • Sluit de G5 Mobile-app niet af; de app moet altijd op de achtergrond actief zijn

Als de instellingen van uw mobiele apparaat niet correct zijn, werkt uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem mogelijk niet naar behoren.

De trillingen voor alarmen en waarschuwingen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem zijn niet anders dan die van andere apps op uw mobiele apparaat. Apps van medische apparaten, zoals de app van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem, hebben geen voorrang op de functies van uw mobiele apparaat. U kunt niet weten of een trilling een melding van de app van uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem of een andere app is. U komt hier alleen achter door naar het scherm te kijken.

Het volgende kan leiden tot:

• het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)

• het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Alarm of waarschuwing gemist?

U kunt een alarm of waarschuwing van de app van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet horen via de luidsprekers van uw mobiele apparaat als u een hoofdtelefoon hebt aangesloten.

Zorg ervoor dat u uw hoofdtelefoon loskoppelt wanneer u deze niet meer gebruikt, anders loopt u het risico dat u een alarm of waarschuwing van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet hoort.

Voorzorgsmaatregelen

Sensorverpakking

Gebruik de sensor van de Dexcom G5 Mobile niet als de steriele verpakking is beschadigd of geopend. Gebruik van een niet-steriele sensor kan infectie tot gevolg hebben.

Handen wassen en drogen voor gebruik

Handen wassen en drogen voor gebruik Open de sensorverpakking pas nadat u uw handen met water en zeep hebt gewassen en hebt laten drogen. U kunt de inbrenglocatie verontreinigen en een infectie oplopen als u de sensor met vuile handen inbrengt.

Breng de sensor pas in nadat u de huid bij de inbrenglocatie hebt schoongemaakt met een lokale antimicrobiële oplossing (bijvoorbeeld isopropylalcohol) u en de huid hebt laten drogen. Het inbrengen van de sensor in niet-schoongemaakte huid kan leiden tot infectie. Breng de sensor pas in als het schoongemaakte gebied droog is, zodat de plakker beter blijft kleven.

Herbruikbaar: niet weggooien

Werp uw zender niet weg. U kunt hem opnieuw gebruiken. Voor iedere sessie wordt dezelfde zender gebruikt, totdat het einde van de levensduur van de batterij van de zender is bereikt.

Het volgende kan leiden tot:

• het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)

• het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Wees zorgvuldig, weel snel

Om het systeem te kalibreren, dient u binnen vijf minuten na een zorgvuldig verrichte vingerprikmeting van uw bloedglucose de exacte waarde in te voeren die door uw bloedglucosemeter wordt aangegeven.

De glucosemetingen van de sensor van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem dienen niet ter kalibratie te worden ingevoerd. Als u onjuiste bloedglucosewaarden invoert, bloedglucosewaarden invoert die na meer dan 5 minuten na inbrengen zijn verkregen, of glucosemetingen van de sensor invoert, kan dit de prestaties van de sensor beïnvloeden.

Het volgende kan leiden tot:

    • het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)
    • het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Behandelbeslissingen

Neem diabetesbehandelbeslissingen op basis van een combinatie van de sensorglucosemetingen, trendpijl, trendgrafiek en/of waarschuwingen waarop moet worden gereageerd van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem.

Vervaldatum

Gebruik sensoren van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem niet na de vervaldatum. Voordat u een sensor inbrengt, dient u de vervaldatum op het etiket van de verpakking te controleren. De datum heeft de volgende indeling: JJJJ-MM-DD.

Gebruik geen sensoren waarvan de vervaldatum is verstreken. De sensorglucosemetingen zijn dan mogelijk niet nauwkeurig.

Plaatsing van sensor

Gebruik niet steeds dezelfde inbrengplaats. Wissel de sensorinbrengplaats af en gebruik niet dezelfde plaats voor twee achtereenvolgende sensorsessies. Het gebruik van dezelfde plaats kan littekens of huidirritatie veroorzaken.

Zorg ervoor dat de sensor niet wordt ingebracht op locaties waar tegenaan gestoten of gedrukt kan worden, en vermijd locaties op de huid met littekens, tatoeages of irritatie. Dit zijn geen geschikte locaties voor glucosemeting. Inbrengen op deze plaatsen kan de nauwkeurigheid van de sensor beïnvloeden.

Vermijd het injecteren van insuline of het plaatsen van een insulinepomp binnen 7,5 cm van de sensor. De insuline kan de sensorprestaties beïnvloeden.

Gebruik de juiste zender, ontvanger en sensor

Verschillende generaties zenders en ontvangers van Dexcom-systemen voor continue glucosemonitoring zijn niet onderling uitwisselbaar.

De zender en ontvanger van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem zijn niet compatibel met de zender en ontvanger van het Dexcom G4® PLATINUM CGM-systeem. Het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem werkt niet als u een zender en ontvanger van verschillende generaties door elkaar gebruikt.

U kunt ofwel een Dexcom G4 PLATINUM-sensor ofwel een Dexcom G5 Mobile/G4 PLATINUM-sensor gebruiken met uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem.

Het volgende kan leiden tot:

    • het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)
    • het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Communicatiebereik

Zorg ervoor dat de zender en ontvanger niet meer dan 6 meter van elkaar verwijderd zijn. Het zendbereik tussen de zender en de ontvanger is maximaal 6 meter (zonder obstakels). Draadloze communicatie door water werkt niet goed, waardoor het zendbereik veel kleiner is in een zwembad of bad of op een waterbed enz.

Er bestaan verschillende soorten obstakels; deze zijn niet getest. Als uw zender en ontvanger meer dan 6 meter van elkaar verwijderd zijn of worden gescheiden door een obstakel, communiceren de onderdelen mogelijk niet met elkaar of is de communicatieafstand kleiner.

Meldingen alarmen/waarschuwingen instellen

Als u zowel een ontvanger als een mobiel apparaat gebruikt met uw Dexcom G5 Mobile CGM-systeem, moet u beide apparaten afzonderlijk instellen. Als u het ene apparaat hebt ingesteld en vervolgens het andere gebruikt, kan het zijn dat u geen alarmsignaal of waarschuwing ontvangt.

Staat hij aan?

Als de ontvanger of het mobiele apparaat is uitgeschakeld (uit staat), worden er geen sensorgegevens, informatie, alarmen of waarschuwingen van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem weergegeven. Zorg ervoor dat de weergaveapparaten zijn ingeschakeld, anders krijgt u geen sensorglucosemetingen of alarmen en waarschuwingen.

De ontvanger droog houden

Houd de klep van de USB-poort op de ontvanger gesloten als de USB-kabel niet is aangesloten. Zorg ervoor dat de ontvanger niet wordt ondergedompeld in water.

Als er water binnendringt in de USB-poort, kan de ontvanger beschadigd raken en worden mogelijk geen metingen of alarmen weergegeven.

Geen metingen op alternatieve locaties

Gebruik voor kalibratie geen alternatieve locaties om uw bloedglucose te meten (bloed uit uw handpalm of onderarm enz.). Bloedglucosewaarden van alternatieve locaties kunnen afwijken van die van een vingerprikmeting en geven mogelijk niet de meest actuele bloedglucosewaarden weer. Gebruik voor de kalibratie alleen een bloedglucosewaarde die u met een vingerprik hebt verkregen. Bloedglucosewaarden van alternatieve locaties kunnen de nauwkeurigheid van het Dexcom G5 Mobile CGM-systeem beïnvloeden

Het volgende kan leiden tot:

    • het niet opmerken van ernstige hypoglykemie (verlaagde bloedglucose) of hyperglykemie (verhoogde bloedglucose)
    • het nemen van een behandelbeslissing die letsel tot gevolg heeft

Situaties waarin geen kalibratie moet worden uitgevoerd

Kalibreer niet als uw bloedglucosewaarde met significante snelheid verandert, normaal gesproken meer dan 2 mg/dl per minuut. Kalibreer niet als het scherm van uw ontvanger de enkele of dubbele pijl voor stijging of daling weergeeft. Dit duidt erop dat uw bloedglucosewaarde snel stijgt of daalt. Kalibreren tijdens een snelle stijging of daling van bloedglucose kan de nauwkeurigheid van de sensor beïnvloeden.

INDICATIE VOOR GEBRUIK

Het Dexcom G4 PLATINUM continu glucosemonitoringsysteem is een glucosemonitoringapparaat dat is geïndiceerd voor het opsporen van trends en het volgen van patronen bij personen (vanaf 2 jaar) met diabetes. Het systeem is bedoeld voor gebruik door patiënten thuis en in zorginstellingen.

Het Dexcom G4 PLATINUM systeem is geïndiceerd voor gebruik als apparaat ter aanvulling, niet ter vervanging, van informatie die wordt verkregen met behulp van een standaardbloedglucosemeter voor thuisgebruik.

Het Dexcom G4 PLATINUM systeem helpt bij de detectie van perioden met een verhoogde glucoseconcentratie (hyperglykemie) en met een verlaagde glucoseconcentratie (hypoglykemie). Het systeem vergemakkelijkt zowel directe als langetermijn-aanpassingen van de behandeling, waarmee deze schommelingen tot een minimum kunnen worden beperkt. De resultaten van het Dexcom G4 PLATINUM systeem moeten geïnterpreteerd worden op basis van de trends en patronen die kunnen worden waargenomen na een periode met meerdere achtereenvolgende metingen.

BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE GEBRUIKER

Lees de aanwijzingen voor het product goed door voordat u uw continue glucosemonitoringsysteem gebruikt. De productaanwijzingen bevatten contra-indicaties, waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en andere belangrijke informatie voor de gebruiker. Bespreek met uw zorgverlener hoe u de trendgegevens van uw sensor moet gebruiken bij de behandeling van uw diabetes. De productinstructies bevatten belangrijke informatie over het oplossen van problemen met uw systeem en over de prestatiekenmerken van het apparaat.

CONTRA-INDICATIES

  • Voor het nemen van besluiten over uw behandeling (bijv. de hoeveelheid te gebruiken insuline) moet de bloedglucosewaarde van uw bloedglucosemeter worden gebruikt. Het Dexcom G4 PLATINUM systeem is geen vervanging voor een bloedglucosemeter.
  • De Dexcom G4 PLATINUM sensor, zender en ontvanger moeten vóór kernspintomografie (MRI), CT-scans en diathermie worden verwijderd. Het Dexcom G4 PLATINUM systeem is niet getest tijdens MRI- of CT-scans of een diathermiebehandeling en het is onbekend of deze onderzoeken en deze behandeling negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid of de prestaties van het systeem.
  • Gebruik van producten die acetaminophen (paracetamol) bevatten (bijv. Tylenol) tijdens het dragen van de sensor kan leiden tot foutief hoge glucosemetingen van de sensor. De mate van onnauwkeurigheid is afhankelijk van de hoeveelheid actieve acetaminophen (paracetamol) in uw lichaam.

WAARSCHUWINGEN

  • Gebruik het Dexcom G4 PLATINUM CGM systeem pas nadat u bent getraind of het bij uw CGM systeem geleverde trainingsmateriaal hebt doorgelezen.
  • Voor het nemen van besluiten over uw behandeling (bijv. de hoeveelheid te gebruiken insuline) moet de bloedglucosewaarde van uw bloedglucosemeter worden gebruikt. Het Dexcom G4 PLATINUM systeem is geen vervanging voor een bloedglucosemeter. Bloedglucosewaarden kunnen afwijken van de glucosemetingen van uw sensor. De richting en snelheid van de glucosespiegelverandering en de trendgrafiek op uw Dexcom G4 PLATINUM systeem bieden extra informatie om u te helpen bij beslissingen over de behandeling van uw diabetes.
  • Symptomen van een hoge of lage glucoseconcentratie mogen niet worden genegeerd. Als de glucosemetingen van uw sensor niet overeenkomen met uw symptomen, moet u uw bloedglucose met een bloedglucosemeter meten.
  • De glucosewaarden van uw sensor kunnen onjuist zijn als u niet minstens om de 12 uur kalibreert.
  • Sensoren kunnen heel af en toe breken. Als een sensor is gebroken en er geen zichtbaar deel uitsteekt boven de huid, mag u niet proberen hem te verwijderen. Roep professionele medische hulp in als u symptomen van infectie of ontsteking (roodheid, zwelling of pijn) ondervindt op de inbrengplaats. Meld het bij uw plaatselijke distributeur als uw sensor breekt.
  • Het Dexcom G4 PLATINUM systeem is niet goedgekeurd voor gebruik bij zwangere vrouwen of personen die dialyse ondergaan.
  • Plaatsing van de sensor is niet goedgekeurd op andere plaatsen dan onder de huid van de buik (abdomen) of, bij patiënten tussen 2 en 17 jaar, de buik of het bovenste gedeelte van de billen.
  • Gebruik de zender of ontvanger niet als de behuizing ervan beschadigd/gebarsten is, aangezien dat elektrische gevaren of storingen kan veroorzaken.
  • De sensor en zender bevatten kleine onderdelen die voor verstikkingsgevaar kunnen zorgen. Houd de zendersetdoos uit de buurt van jonge kinderen; er zit een magneet in die niet mag worden ingeslikt.

VOORZORGSMAATREGELEN

  • Was uw handen met water en zeep en droog ze goed af om besmetting te voorkomen voordat u de sensorverpakking opent.
  • Reinig de huid op de inbrengplaats altijd met een lokaal aangebrachte antimicrobiële oplossing (bijv. isopropylalcohol) voordat u de sensor inbrengt. Dit kan infectie helpen voorkomen. Breng de sensor pas aan als de gereinigde plaats droog is, zodat hij beter blijft kleven.
  • Verander telkens de plaats waar u de sensor inbrengt om de huid te laten genezen.
  • Vermijd plaatsen waar tegenaan gestoten of gedrukt kan worden, en plaatsen op de huid met littekens, tatoeages of irritatie omdat dit geen goede plaatsen voor glucosemeting zijn.
  • Injecteer geen insuline en breng geen infuusset van een insulinepomp aan op een afstand van minder dan 7,62 cm van de sensor, omdat de insuline de glucosemetingen van uw sensor kan beïnvloeden.
  • De sensor is alleen steriel indien deze is geleverd in een ongeopende, onbeschadigde verpakking. Gebruik geen sensor waarvan de steriele verpakking eerder is beschadigd of geopend.
  • Om het systeem te kalibreren, moet u de door uw bloedglucosemeter aangegeven bloedglucosewaarde binnen 5 minuten na een zorgvuldig verrichte meting invoeren. Als u onjuiste bloedglucosewaarden of bloedglucosewaarden van meer dan 5 oud invoert, kan dit leiden tot onjuiste glucosemetingen van uw sensor.
  • Het zendbereik tussen de zender en de ontvanger is maximaal 6 meter (zonder obstakels). Draadloze communicatie door water werkt niet goed, zodat het zendbereik veel kleiner is in een zwembad of bad, op een waterbed enz.
  • Sensoren moeten gedurende hun levensduur worden bewaard bij een temperatuur tussen 2 °C en 25 °C. U kunt uw sensoren in de koelkast bewaren, mits de koelkasttemperatuur binnen dit bereik valt. Sensoren mogen niet in een vriezer worden bewaard.
  • Houd de klep van de USB-poort op de ontvanger gesloten als de USB-kabel niet is aangesloten. Soms werkt de ontvanger niet goed als er water in de USB-poort komt.